19 | 05 | 2012

Wedstrijdverloop

Kaatsen speel je in principe op een grasveld, waar met lijnen een speelveld van 61 meter lang en 32 meter breed is afgebakend. Binnen het speelveld is met lijnen, krammen en proppen een opslagvak van 5 bij 4 meter en een uitslagvak van 19 bij 5 meter ("perk") gemarkeerd.
In het kaatsen nemen twee teams ("parturen") van drie kaatsers ("maten") het tegen elkaar op.

Het aantal parturen dat aan een wedstrijd (tournooi) meedoet kan sterk uiteenlopen. Het minimum vereiste aantal is logischerwijs twee, bij sommige wedstrijden doen echter wel meer dan 80 parturen mee aan de wedstrijd.
De wedstrijd verloopt volgens een "knock-out" systeem. Om het speelveld efficiënter te benutten worden vaak meerdere perken naast elkaar gelegd. Dit maakt het voor een buitenstaander lastig om de verschillende partijen te volgen: alle spelers lopen door elkaar, er zijn meerdere blokjes en ballen. Soms is het zelfs niet genoeg om vier perken in een (verbreed) speelveld aan te leggen en zijn meerdere speelvelden naast elkaar nodig.
Een partij tussen twee parturen duurt gemiddeld genomen 50 minuten. Dit impliceert dat een volledige kaatswedstrijd met een behoorlijke deelnemerslijst vaak wel een hele dag in beslag neemt. De wedstrijd verloopt meestal volgens een knock-out systeem, maar soms wordt voor een competitie in een poule gekozen.

Er bestaan drie typen wedstrijden:

  1. Bij zogenoemde "door-elkaar-loten-wedstrijden" geeft ieder zich individueel op en worden de  parturen gevormd door loting.
  2. Bij zogenoemde "vrije-formatie" kunnen kaatsers zelf parturen samenstellen.
  3. Bij afdelingswedstrijden vertegenwoordigen de kaatsers hun woonplaats.

Opstelling

Twee parturen stellen zich op ...

Twee parturen gaan hun beginpositie innemen op het speelveld.
Het partuur met het laagste nummer op de wedstrijdlijst begint als opslagpartij te serveren ("op te slaan / opslag") en krijgt de kleur rood op "de telegraaf" (scorebord).

In dit partuur zijn twee spelers die de opslag verzorgen, de eerste opslager ("voor best" opslager) en de tweede opslager ("voor minst" opslager). Tijdens het spel mogen de spelers van opslagfunctie wisselen, zolang ze in een "eerst" nog niet eerder een opslagfunctie hebben vervuld.

Het partuur met het hoogste nummer op de wedstrijdlijst begint als uitslagpartij (retourneren) en krijgt de kleur wit op de telegraaf. Van dit partuur zijn er twee spelers die achter elkaar plaats nemen in het perk, de zogenoemde "voorinse" en "achterinse". Zij dragen een leren handschoen ("kaatswant") om het uitslaan te vergemakkelijken. Bij de perkfunctie mag tijdens het spel onbeperkt worden gewisseld.

Start

Het spel begint ...

De voor-best opslager neemt een aanloop en slaat vanuit de achterste helft van het opslagvak de bal met een onderhandse slagbeweging naar het perk. Hij doet dit door de bal met de ene hand op te gooien en met de andere (blote) hand te slaan.

Er zijn nu verschillende mogelijkheden:

  1. De bal belandt met de eerste stuit in het perk en het lukt de uitslagpartij niet om de bal te slaan, noch rechtstreeks noch met de eerste stuit: twee punten voor de opslagpartij (zitbal).
  2. De opgeslagen bal belandt met de eerste stuit voor, buiten of achter het perk: twee winstpunten voor de perkpartij (opslagfout), mits ze de bal niet (proberen te) slaan.
Let op: in het kaatsen is de lijn geen onderdeel van het perk; een opgeslagen bal die op de lijn terechtkomt is derhalve een opslagfout.
Is niet sprake van een opslagfout of een zitbal, dan zal de uitslagpartij proberen te bal met een boven- of onderhandse beweging rechtstreeks of met de stuit te slaan.

Er zijn nu weer verschillende mogelijkheden:
  1. De opgeslagen bal wordt door de uitslagpartij over de bovenlijn geslagen: twee winstpunten voor de parkpartij (bovenslag).
  2. De opgeslagen bal wordt door de uitslagpartij rechtstreeks over de zijlijn geslagen voordat de tegenpartij of het speelveld de bal beroert: twee winstpunten voor de opslagpartij (kwaadslag).
Indien niet sprake is van een opslagfout, zitbal, kwaadslag of bovenslag, dan mag de opslagpartij de uitgeslagen bal op haar beurt weer proberen terug te slaan naar het perk(rechtstreeks of met de eerste stuit).

Wederom doen zich er weer een aantal mogelijkheden voor:
  1. De uitgeslagen bal wordt door de opslagpartij geretourneerd en komt voorbij de voorlijn tot stilstand: twee punten voor de opslagpartij (indirecte zitbal).
  2. De uitgeslagen bal wordt door de opslagpartij teruggeslagen en belandt rechtstreeks over de een van de twee kwaadlijnen: twee punten voor de uitslagpartij (indirecte kwaadslag).
  3. De uitgeslagen bal wordt door de opslagpartij geretourneerd, door de uitslagpartij weer teruggeslagen en komt voorbij de bovenlijn tot stilstand: twee punten voor de uitslagpartij (bovenslag).

Spelmoment

... Er komt een kaats ...

Alle vanuit de start beschreven situaties leveren directe winst voor de opslag of uitslagpartij op. Maar wat gebeurt er als er geen directe winst is en de bal na heen en weer te zijn geslagen in het speelveld tussen voorlijn en bovenlijn tot stilstand komt?

Dit is een onbesliste slag die wordt gemarkeerd met een wit blokje, de eerste kaats, op de plaats waar de bal tot stilstand is gekomen of gekeerd. Vervolgens gaat de voor-minst opslager opslaan vanuit de voorste helft van het opslagvak. Daarbij kan weer directe winst ontstaan.
De voor-minst opslager slaat net zo vaak op totdat een van de partijen zes punten heeft behaald of er weer een onbesliste slag valt. Deze tweede onbesliste slag wordt met een rood blokje, de tweede kaats, gemarkeerd op de plaats waar de bal tot stilstand komt.

In beide gevallen (bij zes en één kaats of bij twee kaatsen) wordt nu gewisseld van speelhelft.

Wisseling positie

... er wordt gewisseld ...

Na het wisselen (ruilen) is de opslagpartij uitslagpartij geworden en de uitslagpartij opslagpartij. Ze nemen daarbij de beginpositie weer in, met dien verstande dat iedereen nu een andere functie heeft conform de opslag- of uitslagpositie. De verdeling van de functies is wederom vrij.

Vaak is echter de niet-perkspeler opslager en de niet-opslager perkspeler na het wisselen. Met andere woorden: dubbelfuncties worden zoveel mogelijk vermeden om de krachten goed te verdelen (zij het dat er logischerwijs altijd tenminste een speler moet zijn per partuur die zowel op- als uitslaat).

De onbesliste slag(en) moet(en) nu alsnog worden beslist. Eerst wordt om de eerste kaats gespeeld, vervolgens eventueel om de tweede kaats. De (nieuwe) opslagpartij moet proberen een denkbeeldige verticale lijn die door het witte blokje evenwijdig aan de voorlijn loopt, te verdedigen. De (huidige) uitslagpartij moet juist proberen de bal voorbij deze denkbeeldige lijn te slaan. Hoe verder de kaats van de voorlijn ligt (hoe "dikker" de kaats), hoe moeilijker dit voor de uitslagpartij zal zijn. Bij twee kaatsen wordt de eerste kaats opgeslagen door de voor-minst opslager en de tweede door de voor-best opslager; bij één kaats slaat de voor-best opslager alleen op.

Uiteraard wordt de opslager door zijn twee partuurgenoten gesteund in het verdedigen van de kaats. Indien de opslagpartij de kaats weet te behouden, verdient zij twee punten, anders zijn de twee punten voor de tegenpartij.

Puntentelling

... de telling ...

De telling vertoont grote overeenkomsten met tennis.
Acht behaalde punten (dus vier winstslagen) vormen een "eerst" (wat vergelijkbaar is met een game bij tennis). Twee eersten vormen samen een spel. Het partuur dat het eerst zes eersten (oftewel drie spellen) heeft behaald, heeft gewonnen.

Het grote verschil met tennis is dat er geen "deuce" of "tiebreak" kan ontstaan: bij de stand 6-6 in punten in het eerst, is het eerst (game) voor het partuur dat het eerst twee punten maakt.
En bij de stand 5-5 in eersten en 6-6 in punten ("alles aan de hang") is de winst voor het partuur dat het eerst twee punten maakt. In dat opzicht is de telling bij kaatsen directer dan tennis, het spel daarenteger is door de mogelijkheid van onbesliste slagen (kaatsen) juist indirecter.

De telling wordt bijgehouden op een zogenoemde 'telegraaf'. Dit is een drie-armig frame van metaal of hout. Op de onderste arm worden de punten van het eerst bijgehouden: 2-4-6-eerst. Op de middelste arm worden de eersten bijgehouden.Zodra twee eersten zijn behaald wordt op de bovenste arm een spel opgehangen. Soms worden ook de eerste en tweede kaats met een apart wit en rood bordje aangeduid aan de voorkant van de telegraaf. 
De punten van de eerste opslagpartij worden aan de rode zijde bijgehouden ("laagste nummer is rood"), die van het andere partuur aan de witte zijde.

Spelleiding

… scheidsrechter, keurmeesters en aanmerkers…

De wedstrijd wordt geleid door één of twee scheidsrechters die ondersteund worden door keurmeesters. Elke keurmeester (soort grensrechters) houdt (een deel van) een bepaalde lijn in de gaten.

De stand wordt door een telegrafist bijgehouden op de telegraaf, terwijl de kaatsen door de aanmerker worden gemarkeerd met het witte of rode blokje.

Prijzen

… en de prijzen.

De kaatsers van het winnende partuur krijgen in ieder geval een krans als prijs. Deze kransen worden meestal als trofeeën aan de muur gehangen; het aantal kransen vormt een afspiegeling van het succes van een kaatser in een seizoen dat loopt van eind april tot eind september.

Alle prijswinnaars krijgen vaak een ereteken en/of een een ander (huishoudelijk) voorwerp als prijs. In het verleden werd heel vaak om (gouden) horloges gekaatst en gouden/zilveren tientjes gekaatst. Zo krijgen de winnaars van de freulewedstrijd ieder een gouden horloge en de winnaars van de PC onder andere vijf gouden Willems en een geldbedrag.

Soms wordt van het winnende partuur de meest bepalende kaatser tot "koning" gekroond.
De koning ontvangt daarvoor een wisselprijs, zoals bijvoorbeeld de zilveren koningsbal bij de PC.

Opgericht 21 september 1902
K.v.K. Amsterdam nr. 539128  Postbank 47.77.069 t.n.v. Kaatsclub Amsterdam
Aangesloten bij de Koninklijke Kaats Bond (KNKB.) en de Federatie van Buiten Afdelingen (FBA.)